In 1953 zag ik mijn eerste neger. Hij was 'heel gewoon' zei mijn vader voor hij kwam. 'Een heel gewone man.' Dat maakte hem nog ongewoner. Toen hij in de vestibule stond viel me vooral zijn smetteloze, iets te lichte blauwe pak op. Hij gaf me een hand. Zo'n hand had ik nog nooit gezien.
Er liepen vaker vreemde personages door de Haagse buurt, zoals Hindoestanen met een ingewikkelde hoofdtooi, 'van de Ambassade'. Eerder waren er de Indische buren, de Indische jongetjes in de klas. De overbuurman die een gitaar met een elektrisch elementje bespeelde. In mijn ogen waren ze van een hogere orde, Indische meisjes bovenaards in hun supersonische petticoats.
Tot de tegenberichten kwamen. Luchtjes in de trappenhuizen. Negers stonken. Ik rook stiekem aan een neger en het was zo. Als de mensen het zeggen ruik je het.
Later hoorde ik dat Joden 'woestijnvoeten' hadden omdat het Joodse volk voor het in Israel aankwam zo lang door de woestijn had gelopen. Maar hoe je kunt zien of iemand Joods is weet ik nog steeds niet. Ik heb de voeten van mijn vriendje Habakuk 'Habje' Levison goed bekeken, maar er was niks aan te zien.
Ik dacht aan blueszanger Champion Jack Dupree (1910), de pianist uit New Orleans, die begon als bokser. We hadden het over uitwegen uit je lot als zwarte in het Zuiden: sport, muziek, misdaad en voor de meisjes hoer. Of anders gewoon werkster of knecht. Ik vroeg hem of er voor zwarten sinds zijn jeugd iets verbeterd was. Hij dacht na, en zei 'eigenlijk niet.'