O popoi!

Vertaals. Dat is wat je in een vertaald boek leest als de taal van herkomst er doorheen komt. Zo leer ik uit het boekje 'Gouden vertaalregels' van Paul Claes, dat verscheen bij Vantilt.

 Het meest krasse voorbeeld kreeg ik van mijn lerares Grieks op het gymnasium, mej. K.A. van ter Toolen, bijgenaamd To, die me door het eindexamen heen sleepte.

Haar manier van lesgeven was waarschijnlijk identiek aan wat ze zelf ooit had geleerd. Zo werd de Homerische vloek 'O popoi moi' bij haar altijd 'Wat hamer!'. Dat moest en wij deden het na.

Terwijl het waarschijnlijk een Griekse manier van 'verdomme' zeggen was, vol klank. Een klanknabootsing of onomatopee.

Die hamer, vind ik nu, stamt uit een 18de-eeuwse aanroeping van de dondergod Thor, die immers de donder sloeg met z'n hamer. Dat werd er door To niet bij verteld. Ook niet dat een modernere vertaling 'Wee mij!' zou zijn.

De vreemde taal die bij To doorklonk was dus een 19de-eeuws gymnasiaal vertaal-Grieks. Onbegrijpelijk geworden.

O popoi deed me ook meteen denken aan de rinoceros van Albrecht Dürer uit 1515. Een dier waar nauwelijks exemplaren in Europa te zien waren. Zodat alle tekenaars eeuwenlang die van Dürer - die lang niet klopte - natekenden. Ook toen er allang echte neushoorns in dierentuinen te zien waren

Nee, die van Dürer was goed, omdat ie van Dürer was. En o Popoi betekent Wat Hamer! omdat To - ook een soort rino­ceros - het had gezegd.