Omval

 Mijn eerste baan was in het depot van de Centra‑kruideniers, achter het Amstelstation, naast de Blooker cacaofabriek, die in heel de stad bij Oostenwind te ruiken was. Om acht uur meldde ik me bij het kantoortje naast de loods op de Omval, een schiereiland in de Amstel dat Rembrandt nog heeft geëtst en dat zo heet omdat op deze plek de zeilschepen overstag moesten gaan..

 Eenmaal in ploegen ingedeeld moesten we kruidenierswaren die met vorkheftrucs op pallets werden aangevoerd inklaren. Dat kon alles zijn, stapels ronde kazen, kratten gezinsflessen koffiemelk, dozen rookworst of rood­merk kof­fie. Mijn ploeg viel onder een man in een blauwe werkjas die Grundmann heette. Hij tekende ook onze prestaties af, op grond waarvan we op vrijdag ons loon uitbetaald kregen. Het vreemde mengsel van geuren in de loodsen van Centra vertelden me wat ik niet wist, namelijk hoe levensmiddelen in winkels komen.

 Opzienbarend was wat Grundmann ons leerde over 'breuk'. Van iedere partij voedingswaren werd een tiende geacht verloren te gaan tijdens het trans­port. Zo demonstreerde hij hoe je een krat gezinsflessen chocomel van een heftruck kon laten vallen. Ongeveer de helft viel aan scherven, maar een halve krat moest overblijven om verdeeld te worden. 'Hou het op de helft' zei hij, 'daar is op gerekend. Wordt het meer dan gaat het opvallen.'

 Mijn vriendin en ik hebben een week lang erg veel chocomel gedronken. Tot de volgende partij 'breuk'. Dat bleken pennywafels te zijn. Het waren gelukkige weken.