Het eerste deel van de memoires van Joop Goudsblom - de socioloog, bekend van 'Nihilisme en cultuur' en 'Vuur' - is er. Zo'n boek lees ik om de overlappingen.
Ik studeerde in Amsterdam, maar miste net zijn colleges. Sociologie kreeg ik oa. van zijn promotor, de beroemde Den Hollander, die ook mijn keuzevak Amerikanistiek gaf en nog peyote-trips genomen had bij de Indianen.
'Sociale status' legde Den Hollander uit aan de hand van een Duitse huishoudster. Op zekere dag was hij vergeefs langs geweest bij een vriend, die hem later belde en zei: 'Mijn huishoudster zei dat je langs geweest was.'
'Hoe wist ze dat? Ik heb mijn naam niet genoemd,' zei 'Den Hollander. 'O,' zei de vriend, 'ze vertelde dat er "ein alterer Herr mit Aktenmappe" was langsgeweest en dat moest jij wel zijn.
De neergang van buurten in Chicago legde hij zo uit: ‘Er is een straatje met rijtjeshuizen, aan het eind zijn dan vier garages. Op een dag komt er in een zo'n garage een snackbar. Dames en heren, dat is het begin van het einde.'
Volgde het dalen van de huren, het opsplitsen van de huizen, kamerverhuur, verwaarlozing en sloop.
Bij mijn tentamen Amerikanistiek trof ik op de gang mijn voorganger, gezakt. 'Hij vroeg alle staten van Amerika van linksboven tot rechtsonder. Washington, Oregon enzovoorts. Hopeloos.' Goddank begon hij bij mij over de T-Ford en hoe die de sociale actieradius van de mensen en daarmee heel Amerika veranderd had. Inkopen deed men voortaan een stadje verderop, waar het goedkoper was. 'Ghost towns' bleven achter.
Den Hollander had in de Lutherse kerk altijd een ''volle bak'. Goudsblom reikt in 'Geleerd' veel aan.