Ondergronds

 Het heeft jaren geduurd dat je bij de bakker op de hoek groep­jes mannen met helmen tegenkwam die de taal spraken die iets als 'Swizzidutsch' genoemd wordt. Dat dat waren de Zwitserse tun­nelbouwers van de Noord-Zuidlijn.

 Ze zijn weg en de tunnel loopt onder mijn voeten. Maar tot vandaag had ik er nooit in gezeten. Dat komt, ik heb mijn auto nu pas afgedankt. En slecht ter been of niet, ik moest de nieuwe onderwereld betreden. Op de hoek van de Ceintuurbaan drie etages omlaag en dan naar Centraal.

 Waar ik uitblies in het Noord-Zuidhollands koffiehuis, dat eens aan het randje stond van een diepe bouwput, met daarin een geïmproviseerd terrasje, waar ik eens met Johnny van Doorn belandde: 'Een glaasje drinken in een Amsterdamse krater.'

 Het wrakke groenhouten bouwsel, ooit neergezet om wachtende passagiers, die per boot naar de eindhalte van de Blauwe tram in Noord zouden worden gebracht een consumptie te schenken was veranderd in een witgeverfde ballentent van het Loetje-concern met op ieder schoteltje een ministroopwafel. En toen weer terug. Voorbij mijn jaren in lijn 24, waar ik eens een wagenvoerster van haar plaats gehaald zag worden omdat ze - dronken - zich ontpopte als een discjockey, met dubbelzinnige toespelingen op haltes en in- en uitstappers, vooral bij de Dam. Amsterdam was een keurige wereldstad geworden.