Ik was in Virgilio, de geboorteplaats van Vergilius, bij Mantova aan de Po. Die hij in zijn Aeneis noemt als hij de Elyseese velden beschrijft. Waar de gelukzaligen in het hiernamaals zich vermaken, wachtend tot ze misschien met een schoongewassen ziel en een blank geheugen terug mogen naar een nieuw aards bestaan.
Ik dacht terug aan mijn eindexamen. Midden in de verder lege 'meisjesgym' - die bestond omdat gymnastiek gescheiden werd gegeven - stond een tafel met drie stoelen onder de hoog opgetrokken ringen. Rondom wandrekken.
Dr. Jan van Gelder deed het Latijn, Vergilius. Naast hem zat een Vlaamse gecommitteerde, Dr. De Waele. Van Gelder vroeg me naar het zevende boek van de Aeneis. Er opende zich een diep gat waar ik in verdween. In de les was het zevende boek niet aan bod gekomen, dacht ik. Van Gelder maakte een vermoeide indruk, hij probeerde me te helpen en begon over de onderwereld.
Pas thuis ontdekte ik dat Aeneas daar al in het zesde boek zijn vader Anchises terugvindt, die de zielen inspecteert die wieweet ooit terug mogen naar het levenslicht.
Anchises: 'De zielen die van het fatum een tweede lichaam verkrijgen, drinken vergetelheid en bevrijding van zorgen uit deze stroom van de Lethe.' De onderwereldrivier de Lethe moet dan toch wel uitmonden in de Po. Niet ver van waar de dichter woonde.
Ik kreeg een zes.