Oom Frits en oom Frans

 Mijn vader had twee vrienden van vroeger. Oom Frits droeg een hoornen bril bij zijn brillantinehaar, oom Frans ook. Beiden spraken met zachte stemmen.

 Oom Frans was ongetrouwd en kandidaat-notaris. Mijn vader en hij kenden elkaar van het Regiment Wielrijders. Na vele jaren vertrouwde Frans mijn moeder toe dat hij homose­ksueel was en gechanteerd werd door 'een jongetje'. En of ze het maar niet aan mijn vader wilde zeggen, want die had een hekel aan homoseksuelen. Zo was het, hij deed vaak gierend een collega na, die altijd groen droeg en over straat ging met een 'tasje', omdat zijn pak slecht zou zitten als ie spullen in zijn zakken deed.

 Oom Frits was een schoolvriend en getrouwd, hij had drie kinderen en een onaardige vrouw. We moesten weleens bij ze eten. Ook met hem liep het niet goed af. Hij ging alleen op kamers wonen en toen mijn vader hem daar tenslotte had bezocht kwam hij hoofdschuddend terug. Frits dronk. Hij had nog halfhartige pogingen gedaan de lege flessen voor mijn vader te verbergen.

 Daarna was er geen contact meer. Mijn moeder belde nog wel eens met oom Frans, maar ook hij kwam niet meer langs.