Direct na de oorlog, kwam ik tot bewustzijn in Zutphen, in een straat met nogal wat gebombardeerde en verwoeste huizen. Mijn vader verdween naar Indië in oktober '46. Ik speelde oorlog en droeg de hele dag een ijzeren helm die ik op zolder gevonden had.
Mijn loopbaan als geheim agent begon in de derde klas van de Lagere School in Den Haag. Voor mij zat René Pasanea, een bijzonder mooie Molukse jongen. Keurig gekleed in een duidelijk door zijn moeder gemaakte grijze korte broek met omslagen aan de pijpen.
Hij droeg een lichtgele pullover. Wanneer de zon het klaslokaal binnenviel scheen die soms op zijn linkeroor. Ik zag, van achter af, dan een verlichte oorschelp van bruin-roze albast, met heel kleine haartjes erop.
Op zekere dag mocht ik met René mee naar zijn ouderlijk huis op een bovenwoning in de Vlierboomstraat. Zijn oudere broer moest mij spreken, zei hij. Die zat bij een 'bende'.
De Pasanea's bewoonden een portiekwoning met een granieten buitentrap, die liep naar een étage waar zo goed als niets stond, behalve wat kisten. Op de stoep stond een glimmend gepoetste brommer. Het gezin kwam net uit Indië. Ze leefden op de planken vloer. In sommige kamers lag geel zeil.
De oudere broer zat in een zijkamertje op een opklapbed en vroeg mij waar ik woonde.
'Dan ken je Els van Gelder,' concludeerde hij. Ik wist wie Els van Gelder was. Een dikkig blond meisje dat op de zelfde zondagsschool ging als ik. 'Van nu af aan ben jij agent BK 3,' zei de broer. 'En je opdracht is om Els van Gelder in de gaten te houden. Je rapporteert alles wat ze doet aan mij.'