Op zoek naar een oom

 Was ik, zoals in het historische kinderboek van Jan Blokker. De oom, die ik zocht, bij gebrek aan een aardige vader, vond ik ook. Dat was oom Wil, een kleine dikke man met een gouden bril. Hij kwam uit Maastricht en was een bon vivant, zei men. Mijn vader mocht hem niet. Toen ik in Amsterdam ging studeren, waar oom Wil Mittelhochdeutsch doceerde aan de universiteit nodigde hij me uit om bij hem te komen eten, in de eenzame kerstweek.

 Eerst gingen we samen naar de slager. Want Oom Wil kookte. Hij wist van vlees en de slager was een vriend van hem. Samen knepen ze in de kalfszwezerik. Hij zei: ‘Hier Willem... Als het vers is kun je dat voelen.’

 Tante Emmy mocht alleen de sla doen.

 Het was heerlijk, na een week UNOX smac en Koninginnesoep uit een pakje. En na afloop volgde het minstens zo belangrijke natafelen. Oom Wil zette een plaat op uit zijn grote collectie zigeunermuziek, Wist ie ook alles vanaf. Zo'n eerste violist heet een primasj. Hier moet je horen.

 En toen kwam de cognac, met een sigaar erbij. Hij deed me geduldig voor hoe je een sigaar rookt.

 Oom Wil fotografeerde ook, lang niet gek. Maar op een dag werd hem iets nieuws aangepraat: een 8mm filmcamera.

 Dat ging mis. Te moeilijk. Wat film was drong niet tot hem door. De films die hij maakte waren eigenlijk foto's, maar dan bibberig bewegend op een groot projectiescherm.

 Hij gaf mij de camera cadeau.

 Ooms bestaan.