In de supermarkt heeft elk artikel een streepjescode behalve de klant. In het ziekenhuis is het andersom, daar is de patiënt het product, de code op je polsbandje zegt wat er aan je gedaan moet worden.
Uit m’n leven getild worden en neergelegd in een bed, al was het maar drie dagen, deed me goed. Elke dag andere gezichten. De werkkleding van Marloes, Macha, Raymond, de namen op hun borstplaatjes. En de apparatuur.
Intussen vreesde ik de behandeling en hield ik me vast aan de inderhaast mee gegriste Andreas Egger, de bergbewoner uit Ein ganzes Leben van Robert Seethaler.
Egger komt nooit zijn dal uit. Behalve in de oorlog, als hij in de Kaukasus doet hij wat hij thuis ook deed: palen en draden aanleggen op de bergen. In zijn bestaan gaan geuren, geluiden, seizoenen en dynamiet vloeiend in elkaar over. 's Nachts luistert hij slapeloos naar het druppen in de goot.
Mijn bedbuurvrouw, nog een wereld. Een mooie vrouw van 75 die het haar opstak op z'n Bardots en een panter kamerjas droeg over een panter outfit. Ze had een attaque gekregen in de badkamer en was gevallen. Haar gezicht zag er nu uit of het onder de wijnvlekken zat, maar het waren bloeduitstortingen. De televisie keek toe en zei dat het stil bleef in Molenbeek. Ze vroeg of het licht 's nachts aan mocht blijven.
De volgende dag was ze na mij aan de beurt voor de apparaten. Toen ze teruggereden kwam naar onze kamer hief ze haar vuist omhoog. Klemmen, zodat de slagader kan helen, dat leren ze je daar.
Toen kwam Sinterklaas binnen met drie zeer zwarte Pieten. Geen kind in zicht op cardiologie, maar toch.
Ik kreeg een boodschappentas van het ziekenhuis in Sinterklaaspapier. Daar deed ik mijn vuile sokken en ondergoed in en daarmee ging ik weg.