Deel twee (1951) na Late lente (1949), van Yasujiro Ozu, die ik vorige week zag. Het Japanse leven tussen het dorpje of voorstadje aan zee en een klein stukje Tokio. Een achterstraatje vol Amerikaanse auto's tussen hoogbouw waar Noriko op kantoor gaat. Kleine werelden.
Het meisje Noriko dat al aarzelde of ze haar vader in de steek mocht laten, aarzelt nu of ze wil trouwen.
De kleine wereld in het huis met de schuifdeuren wordt in beeld gebracht uit voor ons ongewone camerastandpunten. Niet die van de staande mens maar van de heuphoogte van de vrouwen, die zo extra nadruk krijgen. Ook door de kleine stapjes waarmee ze lopen.
Noriko en haar al getrouwde zusje consequent in Westerse kleren. Noriko in ofwel een doorknoopjurk met grote knopen en een wit meisjeskraagje, ofwel - om uit te gaan - in een rok die strak om de heupen sluit en daaronder tot aan de knie in brede plooien. Waarbij dezelfde witte pluistrui als vorige week.
Andere vrouwen in klassieke Japanse dracht. Een groot deel van de vrouwenlevens wordt ritueel doorgebracht met wassen, koken en huishouden.
Het huwelijk van de mooie Noriko zal de grote doorbraak worden in dit rituele familieleven. Ze heeft niemand wat gevraagd en na een leven van braafheid kiest ze voor een oudere man die al een kind heeft.
De familie protesteert, maar Noriko heeft gezien dat het zo moet zijn en blijft onverzettelijk. Men pruttelt maar berust. In emancipatie op z'n Japans rond 1950.