Paard

 'Naar de Kleine Komedie,' zeg ik. De jonge chauffeur wrijft met z'n hand over zijn gezicht, aarzelt en slaat linksaf. 'De Kleine Komedie, de Kleine Komedie,' mompelt hij voor zich uit. Hij zal een Hindoestaan zijn. 'Altijd maar recht door nu.'

 'Ik weet het wel, maar...'. Ik pas op met routes aan taxichau­ffeurs uitleggen, ik zwijg. 'Ik ben er geweest,' zegt hij dan zacht. Heel lang geleden. Aan het eind van de Kalver­straat? Heb ik dat goed?'

 'Bijna. Aan de Amstel.'

 'Ach ja, de Amstel. Ja, weet je ik was daar voor een kinder­voorstelling. Van school. Afscheid van de zesde klas.'  Ik vraag wat voor een voorstelling dat was. 'Ridders,' zegt hij.

 'Deed je zelf ook mee?' 'Ja.' Weer dat peinzende. 'Moest je een rol uit je hoofd leren?'

 'Nee.' 'Wat deed je dan?' 'Ik, o ik was paard.'

 Als Hollander ga je niet lachen als een alloch­toon je vertelt dat ie in De Kleine Komedie opgetreden heeft als paard. Ik vraag: 'Zo'n paard met twee jongens erin?'

 'Ja zo was het.' 'Was jij de voorkant van het paard of de achterkant?'

 'De achterkant,' zegt hij. Je zag niks, er zaten allemaal lappen om je heen. Het was niet zo leuk hoor.'

 Paard. Half paard. Ook een rol. Hij kreeg natuurlijk een ridder op z'n nek. Het zal warm geweest zijn in het paard. Ik overweeg hem te troosten met het verhaal van het meisje dat in zo'n voor­stelling moest optreden als bosbes, in een koor van bos­bessen. Maar die zag tenminste iets en ze mocht zingen. Nee, dit ligt te gevoelig.

 We stoppen bij de Kleine Komedie. Ik reken af. Voor ik het portier dichtgooi kan ik niet laten te vragen: 'Wat was je liever was ge­weest?'

 'Ridder natuurlijk.' Hij draait en scheurt weg.