Waar anders heen? 'Parijs, stad van de moderne kunst 1900-1960' in het Haags Gemeentemuseum laat een vanzelfsprekendheid van generaties zien.
Zestig jaar lang was het de plaats waar kunstenaars van overal naartoe trokken. Waar je het maakte of niet. Nederlanders niet het minst, van Kees van Dongen tot Karel Appel. Zelf reed ik vijftien jaar oud al met een vleeswagen mee naar het Musée d'Art Moderne. Afstappen bij het slachthuis aan de Porte de la Villette en dan de eerste metro. Waarom daar? Het zit hem vooral in de manier waarop buitenlanders in Frankrijk kansen kregen zegt Franz Kaiser in de catalogus. Met een norse verwijzing naar de manier waarop dat - omgekeerd - dezer dagen bij ons niet gebeurt. In 1932 werd zelfs in het Jeu de Paumes een speciaal Musee des écoles étrangeres ingericht.
Na de Eerste Wereldoorlog, toen er weinig Amerikaanse verzamelaars meer kwamen veranderde dat. Maar het verdween niet. Pas de Tweede bracht verandering. De schilders gingen naar New York. Alleen Picasso bleef, die was zo beroemd dat de Duitse bezetters van Parijs hem met rust lieten. Had hij dan geen bezwaren tegen hun gedrag? Zijn motivering:
'Het enige geweld dat me tot vertrek zou kunnen bewegen zou mijn verlangen ernaar zijn'.
Maandag na 22.00 meer in de Avonden.