Pianoles

 Het moest. Mijn vader noch mijn moeder konden pianospelen, maar mijn vader meende dat het zou bijdragen aan mijn 'algemene ontwikkeling', net als de zondagsschool. En daar stond de piano van tante Be in de kamer, die c­onservatorium had gedaan en daarna naar Nieuw-Zeeland was geëmigreerd.

 En nu moest er een leraar worden gevonden. En zo zat elke woensdagmiddag de sigaren rokende meneer Andersen naast mij. Die altijd vroeg hoe het op school ging. Ik zei dat we die ochtend geschiedenis hadden gehad.

 'O ja, ik weet het nog precies, bulderde meneer Andersen: 'Honderd jaar voor Christus, de Vatenbieren komen ons land binnenrollen.'

 Het leerboek droeg in grote letters de vreeswekkende naam 'Czerny'. Maar verder dan vingeroefeningen en een begin van notenlezen kwam ik nooit. Mijn vader bleef bij iedere misslag geërgerd de goede noot brullen.

 Meneer Andersen werd afgedankt.

 Mijn ouders, die niets van muziek wisten hadden grote moeite een opvolger te vinden. Het werd meneer Van der Meer. Een kleine man met vet haar in een oud lichtgrijs pak, die zich introduceerde met een spectaculair demonstratiestuk. Maar zijn lessen pakten nog slechter uit. Via via kwam uit dat hij geen enkel diploma had en eigenlijk pianostemmer was. Ook hij werd heengezonden.

 Een jaar later nog belde hij opeens aan en vroeg mijn moeder om een rijksdaalder 'voor een tramkaart'.