Pivo

 'Zull'n we dan nog maar een pivootje nemen?' vroeg de robuuste Nederlander die we op het Kroatische eiland Krk ontmoetten toen de rij bij de slager almaar langer werd. We waren met z'n zessen in een geleende stationcar.

 Het adres van Anton Pilot, waar we zouden logeren, was mak­kelijk te vinden. Aan de haven, waar de gepensioneerde loods nog steeds woonde. Het eiland Krk bleek een kale, hete vlakte. De bevolking duldde toeristen, maar was bits en mismoedig onder Tito. Koken zouden we zelf. De slager rook je tot in de wijde omtre­k aan de geur van bedorven vlees. De andere b­oodschappen waren macaroni en staatswijn. Om met Peter Sellers te spreken: 'The Procu­pac is not only the best wine in Jugos­lavia, it is also the only wine in Jugoslavia.' We kenden hem van het restaurant in de Amster­damse Frans Halsstraat waar de ober je steevast ver­welkomde met 'Kent u onze Procupac'. 

 Van Krk herinner ik me vooral het schreeuwen van het kleindochtertje van Anton Pilot, dat Zanica heette en haar moeder die haar de ganse dag nariep 'Zanica'.

 Een van ons werd ziek. En zo kwamen we bij de lokale dokter, die snel met haar klaar was: 'Schwanger'. Snel terug dus, over de Karawanken.