De Bonzo Dog Doo-Dah Band (1962-1970) heette eerst Dah-Dah Band. De bandleden kwamen van de Londense kunstacademie. In Europese Pop Art zit veel Dada en Surrealisme.
Op een dag besloten ze een band te beginnen, zoals iedereen in die jaren. In een uitdragerij kochten ze een heel assortiment blaasinstrumenten, van tuba tot dwarsfluit. Ze kleedden zich exotisch en gingen de pubs af. Waar steeds het zelfde gebeurde. Leider Vivian Stanshall - met z'n perfecte Oxford accent - vroeg de aanwezige drinkers of er verzoeknummers waren. Die waren er altijd. Ze kozen er een en zetten in. En dan, ja dan bleek dat ze geen van allen hun instrument konden bespelen. Een oorverdovend getoeter volgde, waarna ze het café werden uitgesmeten. Maar op den duur leerden ze het, schreven teksten en maakten vier unieke platen.
In 1970 heb ik ze leren kennen bij een opname in Paradiso. Uitgeput waren ze. Ook van het sjouwen van al hun attributen, de robots van Roger Spear, die altijd dienst weigerden, zodat hij ze - in witte jas - tijdens de voorstelling moest blijven repareren.. Het werd laat, na het optreden gingen de zijdeuren open en zat ik met een zwijgende Viv Stanshall op de stoeptreden, in de ochtendzon. Kort daarna gaven ze het op.
Pop Art, een antwoord op de naoorlogse luxe, het plotselinge geld, de vrije tijd, de films en strips - Bonzo Dog was een striphondje. Popmuziek ontbreekt vrijwel in de Nijmeegse tentoonstelling van Europese Pop Art, maar de beeldende kunst die je er ziet ontstond uit net deze ironie.
Maandag in de Avonden meer.