Cheever, later een van de vaste verhalenschrijvers van de New Yorker schreef dit in 1947. Spannend hoe een groot en duister radiotoestel met een griezelig groen lampje, geïnstalleerd bij een keurig echtpaar in een appartementengebouw begint te doen wat radiomakers veel later van radio zouden verlangen: geen onschuldig vermaak, de waarheid spreken.
Zo komen plotseling schrikbarend intieme gesprekken van vele buren van Jim en Irene hun huiskamer binnen. Wat haal je in huis met zo'n apparaat? Echtelijke twisten, overspel, diefstal, al wat gewoonlijk onder de oppervlakte blijft.
Er zit een kern van technische waarheid in, ook nog. Elke luidspreker kan - in omgekeerde richting - werken als een microfoon. En er gebeuren soms vreemde dingen. Soms kwamen gesprekken van piloten met de controletoren van Schiphol binnen via luidsprekerboxen. Of een kiesvulling van een vriend ging werken als een kristalontvanger, zodat Radio drie hem vergezelde waar hij ging.
Iets daarvan moet John Cheever geweten hebben toen hij The Enormous Radio schreef. En de logica van het verhaal zegt dat - als de radio eenmaal de waarheid in het gezin van Jim en Irene heeft binnengebracht - de gevolgen niet te overzien zijn.