Regina de Groot

 Ze was de verlegenheid zelf. Dook altijd weg achter anderen. Maakte zich zo onzichtbaar mogelijk. Ze sprak met de zachtst denkbare stem. Dat hoorde je als ze voor de klas moest voordragen. Je hoorde ook haar zachte g. Opeens stond ze daar en werd gehoord en gezien.

 Ze had Engels kunnen zijn: rossigblond, lang haar. Ze droeg lichte jurken met een werkje. Het gedicht dat ze had uitgezocht was het kortste uit de schooluitgave 'Epiek en lyriek', het Geitenweitje van Jacqueline van der Waals. Ze droeg het uit het hoofd voor, maar zo zacht dat de leraar haar vroeg opnieuw te beginnen en dan verstaanbaar. Het verschil was niet groot. En, sneller heb ik een gedicht nooit horen voordragen:

 'Op het geitenweitje/ Staat het kleine geitje/ Bij de groote geit./ Geiteke, wat moet je/ Met je fijne snoetje,/ Dat zoo klaaglijk schreit?

Met je bleeke bekje?/ Geiteke wat rek je,/ Trek je aan het touw?/ Snuffende aan mijn mouwen.../ Met je lief vertrouwen/ In zoo'n vreemde vrouw!

In mijn handen stop je/ Nu je jonge kopje:/ Zeg, wat moet ik doen?.../ Op het geitenweitje/ Staat het kleine geitje,/ Als een wittigheidje/ In het prille groen.

Daarna vluchtte ze terug naar bank. Een jaar later was ze van school verdwenen.