Robert Delaunay

 Mijn reis met de vleeswagen naar het Museé d'Art Moderne in 1960 bracht duizelingwekkend veel manieren om de wereld te zien. Mijn eerste kampioen was Delaunay. De man die talloze Eiffeltorens schilderde.

 Makkelijker gezegd dan gedaan. Zo'n stalen ding dat iedereen kent. Een verzonnen vorm die de constructeur de wereld voor altijd heeft ingepeperd.

 Wat? Een toren. Ja, van staal. Waarom? Om te laten zien dat dat kon, op de Wereldtentoonstelling van 1889, En dan een schilder die bezeten raakt van die toren. Die hem naar zijn hand wil zetten, zich toe wil eigenen. In vorm en kleur.

 Nog steeds sta ik stil bij de Eifeltoren van Delaunay. Je moet maar durven. Wat hij ook durfde was wielrenners en voetballers. Hun shirts werden bij hem een onderwerp voor schilderkunst. In Singer is een hardloopwedstrijd te zien.

 Kunst moet zich de wereld toe-eigenen, dat je het maar weet.

 Ik verliet het museum en keek uit over de stad, naar de echte Eiffel­toren aan de overkant van de Seine.

 Daalde af en ging naar wat over was van het Gare d'Orsay, nu museum, toen een onttakeld station dat als parkeerruimte werd gebruikt. Waar Orson Welles scenes voor zijn Kafka-film met Anthony Perkins had opgenomen.

 De Eiffeltoren en sportshirts zijn uit de kunst verdwenen.