Rokjes

 Er was een tijd dat van alles rokjes droeg. Niet alleen kleine kinderen maar allerlei huisraad. Een schoorsteenmantel kon niet zonder rokje van fijn borduurwerk, een bijzettafeltje evenmin.

 Boven het fornuis van mijn grootmoeder, aan de af­zuigkap, hing ook een vrolijk Brabantsbont geplooid rokje. Daar onder blonken de koperen zwenkkranen dat het een aard had. Dienstmeisjes waren er niet voor niets. Die droegen geborduurde schortjes en kapjes van het zelfde. Ook de jurken van hun mevrouwen blonken uit in kanten kraagjes. Met een Tiroler touch.

 Maar de rokjeskampioenen waren de schemerlampen.

 Eens vond ik aan de stoep de resten van een defecte, maar enorme, vierkante lamp voor boven de eettafel. Een fraai bewerkt bovendeel van smeedijzer met daaronder een forse rok. Van dun, doorschijnend materiaal, waar de lamp geraffineerd doorheen moest schijnen.

 Ik soldeerde hem weer in elkaar, zodat het gedeelte met de rok er precies in paste. Het probleem was, dat zat niet goed vast. Zodat maar al te vaak halverwege het eten het rokje losliet en in de soep viel.

 Al spoedig was de niet zo gewone lamp reddeloos. En begreep ik waarom hij ooit aan de stoep was gezet.

 Dit kunstwerk van Jozef Hoffmann van de Wiener Werkstätte, omschreven als 'staande lamp met bloembakje' uit 1908 getuigt van iets tussen humor en wanhoop. Zijn hoofdwerk is het bekende art deco-Stocletplaleis in Brussel.