Ruïnes

 Toen ik opgroeide in een nieuwbouwwijk tussen houten bouwsteigers, kalkputten en vers gestort beton zag ik ook de bouwkeet waar de architect werkte achter zijn tekentafel. Aan de toekomst.

 In zijn boek ‘In ruins’ wandelt Christopher Woodward door het Rijksmuseum en ziet 'Het atelier' van Michiel Sweerts (ca. 1640). Studenten tekenen een antiek gipsen naakt. Maar de voorgrond is interessanter: een surrealistisch aandoende stapel brokstukken van goden en helden. Alsof de schilder wil zeggen 'Kijk zo loopt het allemaal af, met puin.'

 Wat is de melancholie, de charme van ruïnes? Die ooit zo ver ging dat ruïnes nieuw gebouwd werden als 'follies' in parken. Alsof men niet kon wachten op het verval. Woodward denkt dat het antwoord ligt in de kracht van het verleden, de onverwoestbaarheid van het Colosseum, de Piramides. En dat stelt merkwaardig gerust.

 In het jaar 400 woonden in Rome 800.000 mensen, er waren 3.785 gouden, bronzen en marmeren standbeelden, negentien aquaducten voerden fris water aan. En er is geen aanwijzing dat ook maar iemand de toekomstige ruïnes voorzag. Rome was de 'eeuwige stad'. Maar in het jaar 410 werd de stad geplunderd en verwoest door de Visigothen. Em een eeuw later woonden er nog maar 100.000 mensen.

 Daaraan dacht ik bij de beelden van het monumentale ineengestorte verkeersplein in Genua, waar ik zo vaak overheen reed..