Ruïnoloog

 Toen ik opgroeide temidden van verrijzende Haagse nieuwbouw, met de geuren van cement, beton en kalkputten, zag ik ook de werkplaats van de architect, die achter zijn tekentafel met ruitjespapier zat in een houten keet achter de bouwplaats.

 Van toen af was mijn antwoord op de vraag 'wat wil je later worden?' steevast 'architect'. Toen me later door een echte architect was uitgelegd hoe dat vak in z'n werk ging - met veel inspraak van de buurt - en na buitenlandse reizen veranderde dat. Ik had een liefde voor ruïnes opgevat, die lang geduurd heeft. In Trier zag ik de Porta Nigra, de oude stadsp­oort die bewaard bleef omdat van het Romeinse bouwsel gemakkelijk een kerk gemaakt kon worden.

 Alle middeleeuwse aanbouw is sindsdien weggebroken, zodat wat je nu ziet een Romeinse poort is, met een restje van een apsis.

 Op Sicilië zag ik de tempel van Pallas Athene die ook als kerk overleefde. En in Lucca bleef een amfitheater bestaan omdat er huizen in gebouwd werden, die tot op heden bewoond worden.

 Ik wist wat ik wilde worden: 'ruïnoloog'.

 En nog, als ik op het eiland Tholen kom kijk ik uit naar de oude huizen, die deels gebouwd zijn met de stenen van de 'verdronken stad' Reimerswaal. Er is daar ook nog een 'Veerweg' die doodloopt op de Oosterschelde op de plaats waar ooit veerboten aanlegden. De stenen zijn weggehaald met platte schuiten. Alleen botten van het kerkhof vond je later nog wel eens bij het zwemmen in de Oosterschelde bij laag water. 

 ps. Lees 'De ondergang van Reimerswaal' van Jacob Stamperius (1910)., dbnl