Ruby Dorani

 De danslessen werden gegeven in een luxe villa schuin tegeno­ver wat nu het Haags Kunstmuseum moet heten.

 Onze leraren waren de zilvergrijze meneer (op z'n Frans) Bernard, die in z'n grijsblauwe pak sprekend op de griezelfilmster Boris Karloff leek en de elegante maar zeer sterke mevrouw De Kwant.

 Ik was twaalf en bracht er uit pure verlegenheid niets van terecht. De houdgreep van mevrouw De Kwant, die de mannenpas­sen deed dwong me in onmogelijke houdingen, meteen al bij de quick-step, waardoor een struikeldans ontstond.

 Deze vrouw had toch al al teveel veertienjarigen beet gehad. Verlegenheid, over je eigen voeten struikelen, is onuitleg­baar.  

 Al snel ging ik met mijn klasgenoot Renger Erenst op dinsdaga­vonden niet naar de dansles maar naar Cineac.

 Het kan altijd erger. Een andere klasgenoot Gosling Putto verscheen op de eerste les zonder colbertje en werd door meneer Bernard terug naar huis gezon­den. Volgde een college over het sluiten van colbertknopen. Heeft het jasje er drie, dan mag de onderste open, zijn het er twee dan schuift het knopenregime op. Nog zie ik op televisie staat­s­secretarissen hun colbertjes verkeerd dichtknopen.

 Het Kerstbal heb ik nooit gehaald. Ik kan niet dansen.