Rust op Tholen

 Er zit een hoek in de Oosterscheldedijk, niet ver van de Kettinghoeve, waar ik logeerde bij Oom Kees en tante Mien. Het was zondag en erg warm, tante zat achter de boerderij op het bankje te borduren. Oom Kees liep zich met iets te bemoeien.

 Ik zat in de hoek van de dijk, en keek naar het water. Tegen de basaltblokken lag uitgedroogd zeewier met de bolle uitstulpingen die je kon laten knallen. 'Klappers' heette dat. Maar op het kleine strandje onderaan de dijk bleef ik kijken naar de krabben, die daar 'krabbers' heetten. Om hun zijwaartse gang vooral.

 Ze zeiden wel dat oom Kees liep als een krab. Ook zo'n beetje zijwaarts.

 Maar de stille watervlakte van de Oosterschelde was er meer dan wat ook. Daar had het verzwolgen Reimerswaal gelegen, de stad die ik kende uit de kroniek van Smallegange.

 Nog jaren waren er stenen van gevonden en botten van het kerkhof. Heel waarschijnlijk was de Kettinghoeve gebouwd met stenen van Reimerswaal.

 Verderop lag nog een Veerweg naar de dijk, naar de nu verlaten plaats waar ooit het veer naar Reimerswaal aanlandde. Je kon naar het water van de Schelde blijven staren tot je een stad zag oprijzen.