Schreeuw

 Ik woon achter een betegeld schoolplein. Vanouds de plaats waar het gebeurt. Waar de pikordes worden bepaald. Wie heeft het voor het zeggen onder kinderen? Dat wordt daar uitgemaakt. Kijk naar de kringetjes die zich vormen. Niet rond die met de beste schoolresultaten.

 Wanneer het eindelijk pauze is en de deur openvliegt gaat dat gepaard met een oorverdovend gekrijs. Alsof de stemverheffing urenlang was op­gespaard en nu, collectief, en masse, naar buiten moet.

 Het meest gehoorde woordje in klaslokalen en huiskamers was lange tijd 'sssst'. Met de vinger op lippen. Vaak was die vinger al genoeg. De enkele keer dat ik durfde vragen waarom was het antwoord: 'We hebben ook nog buren'. Niet dat die ooit hun beklag hadden gedaan. Mijn vader was zijn eigen buurman.

 Kortom een kind werd geacht stil te zijn. Er eigenlijk niet te zijn. Wat immers zegt die schreeuw? Niets anders dan 'ik ben er' of kortweg 'ik'. Zodra het kan barst een hels gekrijs los. Een uiterst vertoon van de stembanden.  

 Ik heb nooit meegeschreeuwd. Het verheffen van de stem word je na zo'n jeugd bijna onmogelijk. 'Frisia non cantat.' Moest ik zingen dan kreeg ik een klem op m'n keel. Vandaar mijn hekel aan stilte coupés en stilteruimten. Niet dat ik daar wil schreeuwen, 't Is meer de tirannie der gelijkhebbers die er heerst. En mijn stiekeme sympathie voor de 'Damschreeuwer'.