Waar gebeurt het? Niet hier, waar ik ben. Maar waar dan? Dat is de vraag die Fabrizio del Dongo, de jonge, naïeve Italiaanse edelman uit Stendhals Karthuize van Parma (1839) martelt. Hij wil niets liever dan vechten voor zijn held, Napoleon. En bereikt de troepen op weg naar Waterloo in het uniform van een dode Franse huzaar.
Hoe ging het werkelijk toe op het slagveld? Donderdag as. is het 200 jaar geleden. Stendhal beschreef het in al zijn chaos, totale verwarring, slapstick. Hij wist waarover hij het had toen hij zijn held liet meevechten. Waar is de oorlog? Heb ik nu meegevochten? Die daar voorbij kwam was dat de keizer?
Er is maar een probleem met oorlog. Je weet nooit waar ie is. Niet waar jij bent. Tot het te laat is.
Fabrizio verwerft een paard en bemerkt dat hij opeens in het gevolg van de beroemde Maarschalk Ney rijdt. Even na de slag bij Ligny, verloren door de Engelsen. Ze steken een modderig, omgeploegd stuk land over, bezaaid met lijken in rode jassen. Engelsen dus en 'hij bemerkte dat veel van de beklagenswaardige roodjassen nog leefden'.
Niemand stoort zich daaraan. Er wordt gedronken. Fabrizio drinkt te veel en zit licht zwaaiend in het zadel: 'Het kwam hem zeer van pas dat hij zich opeens een opmerking herinnerde die de koetsier van zijn moeder vaak had gemaakt: als je te veel op hebt, moet je tussen de oren van je paard door kijken, en doen wat de man naast je doet.' Dan komt opeens de keizer zelf voorbij. Men roept. Stendhal: 'Het spreekt vanzelf dat onze held zijn ogen opensperde, maar het enige wat hij zag was een aantal galopperende generaals, die eveneens door een escorte werden gevolgd.
'Dat was dus de keizer die net voorbij reed?'
'O beslist. Het was de man die geen belegsel op zijn jas had.'
Te hoog om onderscheidingstekenen te hoeven dragen. Napoleon-aanhanger Stendhal zelf maakte als militair de Franse terugtocht uit Moskou mee. Bleef na Waterloo berooid achter.