Stilte

 Stille dagen. Het bij mij thuis meest uitgesproken woordje was 'ssst'. Mijn vader schrok op bij het minste gerin­gste gerucht. Een geluidsneurot­icus heet dat nu. Mijn moeder zag als haar taak in dit leven hem 'ergernis te besparen'.

 Zo leerde ik me door het huis te bewegen zonder geluid te maken. Op mijn tenen te lopen. Krakende traptreden te vermijden. ' Zachtjes doen,' het verlaat je nooit.

 Stemverheffing was ongewenst. Had je het lef te vragen naar de reden dan was het antwoord 'we hebben ook nog buren'. Kortom, hij was zijn eigen buurman. De echte buren waren hoogbejaard, je merkte nooit iets van ze.

 In deze virustijd keert die stilte terug. Alsof je het door op je tenen te lopen niet zou wekken. 'Sssssst.'  'Le silence d'antan.' Toen leven begon met leren zwijgen.   

 Al vroeg werd ik heel selectief in het mee naar huis nemen van vriendjes. Ze mochten onder geen beding 'luidruchtig' zijn.

 Een blunder bleek Leo Brienen, die lawaaiige autogeluiden uitstootte bij het spelen met de Dinky Toys.

 Mijn vader kuchte, kuchte nogeens, en toen Leo niet reageerde, en luidkeels doorging met een auto-ongeluk kwam het 'heb jij dan geen manieren geleerd' en nam mijn vader hem bij een oor, trok hem de gang door, opende de buitendeur, zette hem op de stoep en sloot de buitendeur met een klap achter hem.