Deze week stierf mijn buurman, de etser. Al eerder was hij ziek. Vorig jaar zweefde hij aan mijn raam voorbij op een brancard, tussen hemel en aarde getakeld door een hoogwerker. Met open ogen daalde hij af naar een ambulance. Later was hij weer thuis en werd de trap op en af geholpen.
Wat deelden we? Een straatnaam vooral. Onze straat is genoemd naar een schilder van vrolijke herbergtaferelen in de Gouden Eeuw. Zijn werk had daarmee niets te maken. Wat ik schrijf ook niet. Toch waren wij beiden gebonden aan die naam.
De macht van de straatnaam. Zo'n straatnaam overleeft je. Je kunt erom verhuizen. Dat hoefden wij niet. We groetten elkaar op de stoep. Hij met zijn stok, ik later, toen ik een hernia had met de mijne. Daar wisselden we wat woorden over. In de zon. Een straatnaam, een stok. De zijne van hout en mooier.
Ik weet hoe zwaar bewoners tillen aan straatnamen. Het was Marcel Proust, die een deeltje uit zijn werk de titel Plaatsnamen, de naam gaf. Daar staat het.
En nu heb ik net een boekje voltooid met Haagse verhalen, waar veel straatnamen in staan. En ik realiseer me hoezeer die eigen levens leiden. Zo zelfs dat ze hun eigenlijke betekenis in het dagelijks gebruik verliezen, of, voor een kind, nooit krijgen.
De Haagse straatnaam Sportlaan verging het bij mij zo. In mijn geheugen gebeeldhouwd als een monument waarlangs mijn moeder voor de oorlog vanuit Kijkduin fietste naar de kerk. En ik zelf later naar de brug over het Verversingskanaal.
Niet lang geleden drong eindelijk tot me door dat die vertrouwde dubbelklank - Haagse nadruk op de tweede lettergreep - zijn oorsprong moest hebben gehad in sport, het verdwenen stadion Houtrust.