Bevreemd liep ik vanmiddag rond op de grote Surrealisme-tentoonstelling in Utrecht. De Eerste Wereldoorlog was voorbij, de straten vol mutilés de guerre met ontbrekende armen of benen, en een geschonden geest.
De wereld had z'n verstand verloren. Alleen Sigmund Freud kon nog iets verklaren. Hij gaf dromen betekenis: de eerste seksuele revolutie. En in de kunst moest alles anders. Nog in 1930 schreef kunstpaus André Breton 'dat het surrealisme nergens anders naar streefde dan om vanuit een intellectueel en moreel oogpunt een bewustzijnscrisis te veroorzaken.'
Hoe? Knippen en plakken, spelen met woorden en beelden, de geest laten waaien. Als het maar 'spontaan' was. De kunst bevrijden uit de kunde. Dat is gebeurd.
En het Centraal Museum maakt duidelijk dat het tot weinig geleid heeft. Fantasie, creativiteit, wat het oplevert komt zo vaak op hetzelfde neer. Wat eens choqueren moest als Bunuels doorgesneden oog uit Chien Andalou is een ach ja geworden. Ontwrichtend of taboedoorbrekend? Het zijn flapteksten. Wat het werk van eigentijdse kunstenaars tussen de historische avant-gardisten doet begrijp ik niet goed. Surrealisme is een gebruikswoord geworden zonder veel betekenis, zoals 'Kafka'.
Veel drong door tot de reclame. Magrittes mannen met bolhoeden stijgen nu aan hun paraplus ten hemel voor een verzekering. Alleen bij het werk van uitzonderlijke geesten als Moesman blijf je staan.