Telefoontje

 Ik was bezig met langzaam wakker worden. Een kwetsbaar proces waarbij ook de geestelijke vermogens maar langzaam bij de tijd komen. Routineus haalde ik het vuile wasgoed uit de wasmand, deed het in de wasmachine en zette hem aan. De dag was begonnen. Een ATAL-dag, de prikvrouw zou komen voor mijn bloedverdunning.

 Nu zocht ik mijn telefoontje om te zien of er nog Boris Johnson-nieuws was bij de Guardian. Maar kon het nergens vinden. Ook mijn vriendin die allang op was kon het na alles, boeken, beddegoed, ondersteboven te hebben gekeerd nergens vinden.

 De dame van de ATAL kwam om in mijn vinger te prikken en ging weer. Maar waar was het telefoontje? Paniek. Ik had vast iets doms gedaan. Maar wat? Ik ontwikkelde een in­gewikkelde een theorie, ik had het de vorige avond waarsc­hijnlijk tezamen met het vuile wasgoed alvast in de wasmachine gedaan. En nu draaide het apparaat vrolijk zijn rondjes met mijn telefoontje in zijn trommel. Kon ik hem nog stilzetten? Dat bleek onmogelijk. Het programma moest kennelijk geheel afgewerkt worden.

Het was mijn vriendin die op het idee kwam mij op te bellen. Ik hoorde mijn eigen stem al door bubbelgeluiden heen. Voorgoed onbruikbaar. En daarna ontrolde zich wat er allemaal mis zou gaan. Afspraken, nummers, alles was weg.

Maar, o wonder, ergens in huis ging nu mijn telefoontje. De ontknoping bespaar ik u. Het was, natuurlijk, mijn eigen stomme schuld.