Aardbeving, gisteren in de buurt van Norcia, zeker zo zwaar als die van 2009 in L’Aquila. Ik ken het ritueel. 'De mensen slapen op straat, er kunnen naschokken komen', zegt de televisie.
Mijn eerste keer was in Pisa, op de stille zuidoever van de Arno. In de koffiebar kwamen heel de avond studenten aangerend, die toen nog geen telefoontjes hadden. Ze moesten in de rij wachten voor gettones, telefoonmunten om hun moeder te bellen.
En zo hoorde ik telkens weer 'Mama, mama, come va?' En de dreigende onomatopee 'terremoto'. Mei 1976 moet het geweest zijn. De nieuwsprofessoren legden het met schoolborden op de RAI uit. Ik knipte het kaartje uit de Corriere waar de aardbevingsgevoelige gebieden in grijs of zwart op stonden.
De regering beloofde snel herstel en bijstand. Maar iedereen weet dat dat er niet van komt. Het geld verdwijnt. Wat Berlusconi ook beloofde na de aardbeving in 2009 het puin ligt er nog.
De Camorra, de Napolitaanse mafia zit er tussen. Terzijde, in Italië en overal ter wereld spelt men mafia met een enkele f, behalve in Nederland.
Een onderzoek naar de besteding van het Europese hulpgeld was vernietigend. De aardbeving bleek een lucratieve bron van inkomsten voor de Camorra. L’Aquila, koel en hoog in Abruzzen, was zo'n mooie stad. Norcia ook, als je uit Perugia komt richting Ascoli. En dan wat verderop, Amatrice..