‘In mijn vreemde land’, het Gevangenisdagboek dat Hans Fallada in 1944 schreef en zijn cel uit smokkelde, staat vol verhalen over hoe zijn landgenoten zich in oorlogstijd gedroegen. Fallada, de schrijfjunk, noteerde alles wat hij zag, wist of wat hem te binnen schoot.
De mannen waren naar het front. Over twee achtergebleven vrouwen bij hem op het dorp gingen geruchten. En ja, ze ontvingen soldaten die in de buurt bewakingsdienst liepen. Zo ging de burgemeester op een avond op inspectie uit. Weldra gevolgd door een aantal dorpsbewoners, meest oudere vrouwen, maar ook twee meisjes van 16 en 17. Kijken en luisteren naar wat zich afspeelde achter dat ene verlichte raam.
'Hoe meer de uren voortschreden, hoe meer de inleidende aanhaligheden overgingen in handtastelijkheden, hoe duidelijker de lieve woordjes werden, hoe schaamtelozer ook het gezelschap onder het raam. Opgewonden stootte de een die dichterbij kon luisteren de ander aan, nauwelijks hun lachen verbijtend fluisterden ze elkaar toe wat ze net gezien hadden en de burgemeester, die toch in naam van de goede zeden en ter bescherming van de onschuld zijn post betrokken had, bracht er niets tegenin dat opgroeiende meisjes dit schouwspel zagen, hem zelfs aanstootten en het heftig ademend met glanzende ogen van genoegen volgden.'
En dat in het gezonde, reine land van de Führer. Van half tien in de avond tot half vier 's morgens hielden de nieuwsgierigen het uit.
Wel leverde deze burgemeester een smerige streek. Hij schreef een uitvoerig verslag aan de echtgenoot van de jongste van de twee vrouwen in dat huis, die aan het Oostfront diende en veel van zijn vrouw hield. Er werd niets meer van hem vernomen. Zes weken later kwam het bericht dat hij was gevallen.