Voor altijd voor het laatst heet de levenskroniek van Tjitske Jansen, geschreven door Tjitske Jansen. Dat zijn er twee. En het begint al in de jeugd. Het kind neemt zichzelf waar, is zich al vroeg bewust. Niet een kind zoals men dat graag ziet.
Ze noteert haar omgang met anderen: 'Vriendschap bestond voor mij voornamelijk uit het spelen van vriendschap'. En dan: 'Zo gaat dat toch? Leren lopen, leren autorijden, een taal leren, een boek schrijven. Om het te kunnen moet je eerst doen alsof je het kunt'.
Die gespletenheid komt terug in haar theateropleiding, waar opgetreden moet worden en gezongen: '...hoe het was om voor een publiek te staan en iets te geven, echt iets te geven. Ik besefte hoe groot het verschil was tussen geven en imponeren.'
En wie ben je dan? Het komt al ter sprake bij catechisatie in haar geboorteplaats Barneveld: 'Jezelf zijn, ik heb gehoord dat dat belangrijk is, maar ik heb geen idee wat het is. Hoe doe je dat?' vroeg ik de dominee.
De dominee zegt: 'Als je een kraan vol open draait en je bent met al je aandacht bij het opendraaien van die kraan, dan ben je jezelf.'
Nietzsches motto 'hoe iemand wordt, wat hij is' zou goed passen op deze verzameling. Je krijgt Tjitske te lezen van kindsaf tot heden. Genoteerd zonder literair vertoon, geen poses. Moet ik geloven dat Celine voor haar nooit meer werd dan een gezicht op de schoorsteenmantel waarvan ze dacht dat het van een jong gestorven oom was, ingelijst tussen familiefoto's? En dat 'Reis naar het einde van de nacht' een boek is dat ze nooit las omdat haar vader 'de visie die eruit spreekt had aangetrokken als een jas'?
Ik geloof het, zonder meer.
In het Boeddhistisch centrum in Schotland waar ze therapie volgde valt deze dialoog: 'Harry!' riep de vrouw die ik was. 'I'm the most selfish person I know.' Waarop Harry zich omdraait en zegt 'You're just not as good at hiding it as others.'