Tytgats draaimolen

 Het drama van de jeugd van de jonge Edgard Tytgat was zijn val van wat in Brussel heet 'de paardjesmolen' op de kermis. Maar dan in het Frans. Zelf schreef hij: 'We klimmen op de paardjesmolen. Hij komt nog maar op gang, of ik val flauw. Iedereen in rep en roer. Vrouwen in zwarte kapmantel dragen mij naar huis. Mijn broer loopt bibberend en wenend achter ons aan.'

 Ze dachten dat hij dood was. Men bezocht hem 'op zijn sterfbe­d'. Zijn haar werd in een 'engelencoupe' geknipt. Daarna was hij lange tijd ziek en bedlegerig. Hoorde het geluid van buiten spelende andere kinderen van tweehoog. Zijn liefde voor kermisgasten bleef onverwoestbaar. Hij maakte zelfs een model-draaimolen die bewaard bleef.

 De mooie catalogus bij de Leuvense expositie die nu in Schiedam aanlandde heet 'Herinnering aan een geliefd venster'. Het venster als lijst van de wereld. Later liet hij een huis bouwen in Terkameren, waarvan het atelier hoge schuine ramen heeft die ver uitzien. Je ziet het op veel schilderijen.

 Ziekte keert later terug in z'n werk. Zoals in 'Voorspel van een gebroken liefde' (1928) waarin als vaker bij Tytgat twee scenes ineen vloeien. Met rechts een liefdestafereel en links de zelfde geliefde op de operatietafel die een been wordt afgezet.

 Hoewel hij schilderde in de hoogtijdagen van de avant-garde ging Tytgat volstrekt eigen wegen. Maakte portretten, landschappen architectuur.

 Vrolijke momenten genoeg ook. Zoals in het drieluik 'Het op zwier gaan van de drie heren' (1938), waarin een altijd aan zijn haardos herkenbare Tytgat in een bordeel zijn broek laat zakken.