De zieke schilder lag aan infusen en beademing. Zijn uitzicht was beperkt. We zaten driehoog, een rommelig stuk stad strekte zich uit. Hij zei dat hij probeerde deze ongevraagde raamuitsnede terug te brengen tot twee dimensies.
Hij beschreef, ik noteerde: 'Het is flets en flauw, maar in gedachten projecteer ik alles in een vlak. Plotseling wordt het dan soms boeiend.'
Daar lag hij, opgescheept met een uitzicht.
'En over alles hangt de doem dat de televisie wordt afgezet,' zei hij. 'Een ziekenhuis reduceert iemand tot nul. De wereld wordt klein, bekeken vanuit een bed. Je merkt het aan het bloembeleid. Een enkel bosje, zoals dat van jou is best, niet die oerwouden waaronder wij zieken bedolven worden. Die verwijzen onverbiddelijk naar het graf. Je gaat denken: die overleven me nog. En altijd zijn er vazen tekort.'
'Misschien in het keukentje,' opperde ik. 'Ja, op een onderste plank onder een gootsteen staan nog wat augurkenpotten.'
Er bleek een vrijwilligster te zijn, die over alle bloemen in dat ziekenhuis ging. Zij besliste als een vorstin of ruikers 'weg' moesten omdat ze stonken of nog een dag meekonden. Met haar was de zieke in conflict geraakt om het miniboeket dat een vriendin voor hem had meegebracht.
Die vriendin was, zoals veel vrouwen, gewend af en toe drie geplukte madelieven in een borrelglaasje te zetten. En zo'n glaasje had ze meegebracht. Maar toen de madelieven gingen hangen wilde de bloembazin ze wegdoen.
'Mevrouw,' had hij toen met verheffing van stem gezegd, 'ik vind, het verdorren en uitvallen van bloemen oneindig veel mooier dan de bloei.'