In de catalogus van 'Nerveuze vrouwen' beschrijft Yoon Hee Lamot hoe Zürn op zesjarige leeftijd wordt overvallen door een visioen van 'De Man in Jasmijn'. Een verlamde man met blauwe ogen die in een stoel zit in haar tuin, tegen de achtergrond van een jasmijnstruik.
Dit wordt haar gefantaseerde echtgenoot, haar eerste geheim. In 1957, op 41-jarige leeftijd, ontmoet ze in Parijs de kunstenaar Henri Michaux. Ze herkent in hem de Man in Jasmijn. 'De schok van deze ontmoeting kan ze niet verwerken. Langzaam begint ze vanaf die dag haar verstand te verliezen,' schrijft Zürn in haar autobiografische roman De Man in Jasmijn.
Ze werkt als documentaliste en montageassistente en schrijft zo'n honderd korte verhalen, die nog steeds gelezen worden. Maar wordt tussen 1960 en 1970 verschillende keren opgenomen. Haar dood - door zelfmoord - kondigt ze aan in 'Donkere lente'. In deze autobiografische roman vertelt ze van een jong meisje dat worstelt met seksualiteit en zichzelf. Tussen 1953 en 1964 schrijft ze zo'n 124 anagramgedichten. Elke regel is dus gemaakt uit de zelfde letters.
Aus dem Leben eines Taugenichts
Es liegt Schnee. Bei Tau und Samen
leuchtet es im Sand. Sieben Augen
saugen Seide, Nebel, Tinte, Schaum.
Es entlaubt sich eine muede Gans.
(Ermenonville 1958)