Vallottons raadsel

Van Félix Vallotton weet ik sinds mijn bezoeken aan het oude Parijse Art Moderne. En nog kan ik niet benoemen wat er spookt in zijn werk. In zijn roman die vertaald werd als Het moor­dende leven doet het dat zeker.

 Félix Vallotton (1865-1925) is voor mij vooral de schilder van het tussenbeide, het net niet. Kamers en suite, vestibules, anti-chambres. Er gebeurt iets, even verderop in dat zelfde huis. Je weet ook eigenlijk wel wat, maar durft - als buitengesloten kind - niet te gaan kijken.

 Een hoed en een wandelstok op een stoel. Een deur op een kier. Het zicht op een fragment van een bedrand. En steeds de omineuze schaduwkleur rood, tegen het paars aan. Er is meer en anders van hem, maar het raadsel ligt hier. En wordt versterkt door de patronen in behang, tapijten en goed-burgerlijk meubilair.

Nu dat boek dat hij schreef, 'Het moordende leven'. Als jongetje richt de hoofdpersoon al onbedoeld rampen aan, juist in de levens van mensen van wie hij houdt, of denkt te houden.

 Het lijkt erop dat door zijn toedoen een vriendje verdrinkt, dat de schrijnwerkende buurman door wat hij als een grapje bedoelde jammerlijk sterft. Later brandt een schildersmodel zich door zijn toedoen fataal aan een kachel. Wat is dit voor een Koning Midas-doem?

 In bijna alle schilderijen van Vallotton ligt dreiging besloten. Er zal iets gebeuren, er is iets gebeurd. Het toneel is vaak een huiskamer, bij hem de gevaar­lijkste plek. Onheilspellender kunnen meubels en gordijnen niet zijn.­ Vooral tussen 1889 en 1899, als Hélène Chatenay zijn model en geliefde is. Zij is het die je ziet, of niet‑ziet op de doeken uit deze grote 'rode' periode: de tijd van de rode stoel en de kolen­haard.

 Tot hij haar onverklaarbaar in de steek laat voor een rijke dame uit de kunsthandel van wie hij niet hield.