Het dal van de Serchio volgde ik, vanuit Lucca en kwam bij Barga. Daar ging ik lukraak rechtsaf de bergen in. Asfalt lag er nog. Maar op Apennijnenpas hield dat op bij een tentje met versnaperingen. Daarna ging de weg onbestraat verder omhoog.
'Waar gaat dit naartoe?' vroeg ik. 'Modena,' zei de verkoper lachend. Dat lag in de Povlakte, ver achter de bergen.
Stoutmoedig, want dat was het, je kunt ook zeggen dom, reed ik omhoog. Er stond nog een grenssteen, die later uit 1800 bleek. Hier hield Toscane op en begon Emilia. De weg desintegreerde, wrong zich tussen rotswanden door. Er lagen overal rotsblokken op, die mijn vriendin en ik opzij duwden, het ravijn in. Omkeren was onmogelijk, geen ruimte. Meter na meter schoten we op, af en toe gesteund door een erg oude kilometerpaal. Ja, dit was eens een doorgaande weg geweest tussen twee verdwenen landen! Het werd almaar kaler, het enige teken van beschaving waren alleen nog kartonnetjes 'Divieto la caccia', verboden te jagen. Geen mens, geen huis in zicht. Geen richtingbordjes. Waar was ik? Geen antwoord. Geen verbinding hier.
Weer een erg grote steen op de weg. De auto dan maar laten staan en verder lopen? Maar waarheen? Eindelijk, na uren, het werd al donker ging de weg van gruis over op oude keien. En kwam tenslotte uit op asfalt. En zie, een jager. En mijn vraag: 'Waar zijn we hier.'
Die kant op, daar lag Abetone. Verdomd, het wintersportplaatsje van de kaart.
Ik zocht het later op. Een hertog en een gravin hadden rond 1800 een oogje op elkaar, ze hadden elkaar hier ooit ontmoet en besloten een weg te laten aanleggen tussen hun domeinen. Die na hun dood al spoedig in onbruik was geraakt.