Een reeks tableaux vivants. Levende schilderijen. Te beginnen met een uitzoom naar wat een verlaten winkelgalerij blijkt, bekeken door bewakingscamera's. Jongeren met crossfietsjes botsen kort met elkaar. Eentje blijft liggen in bloed terwijl zijn vriend Jesse verstard toekijkt.
Leven blijft tot een minimum beperkt in buitenwijkscènes waar asfalt de villa's scheidt. Je ziet het in de vroege ochtend of de late avond, bij natriumlicht en er gebeurt niets. Een vos vreet aan een afvalzak.
De moord wordt voor kennisgeving aangenomen door de club terreinfietsers, die gewoon voortgaat met zijn cyclistische bokkesprongen op hun BMX-jes in het bos. Niets van de gangbare emotionele rouwverwerking. Integendeel. De pijnlijkste scene is die waarin twee vuilophalers de enorme stapel onuitgepakte bloembosjes en knuffels opscheppen en wegruimen uit de winkelgalerij waar ze kennelijk al iets te lang lagen.
In een avondscène zien we de buitenkant van het huis van de vermoorde jongen. Het gezin komt thuis en de lichten gaan een voor een aan. Jesse staat buiten en kijkt vanuit het donker toe. Ik dacht aan de schilderijen van Michael Borremans. In de villabuurt, die ik schat nabij het Brusselse Ukkel, zijn dan al veel witte rolluiken neergelaten tussen de ordelijk met coniferen beplante tuinen.
De Gentse regisseur Bas Devos wilde zijn verhaal vertellen in stillevens. Dat blijkt te kunnen. Het beklijft.