Vlucht

 Het eerste woord dat ik op straat leerde was 'vijand'. Dat sloeg op jongetjes uit naburige buurten of straten. We bouwden verdedigingswerken, tekenden plattegronden met onze geheime vluchtroutes.

 Best mogelijk dat ik de enige was die het zo ernstig nam.

 De meest gevreesde vijanden waren de Indische jongens op hun snelle brommers, daarna kwamen de Loosduiners. Sterke Tuindersknechts. Nog zie ik ze tegen een grauwe, lage lucht komen oprukken, in de verte opzij van de Laan van Meerdervoort, achter Meer en Bos. Gewapend met stokken en stenen. Ik hield stand, naast het eindpunt van lijn 2, waar de auto's geparkeerd stonden van de bewoners van de nieuwe flats. Toen kwamen de Loosduinse katapults in actie. Naast mij vloog een grote steen tegen de panoramische achterruit van een nieuwe Chevrolet, die in duizend stukjes ineen zeeg. Je jongens keken naar mij, ik was immers bevelhebber.

 We moesten vluchten, besloot ik. Het zou moeten worden wat de Wehrmacht een 'Strategische Terugtocht' noemde.

 Ik had hem uitgetekend. Onderlangs de vijver en dan Meer en Bos in, naar onze boomhut. Daar bleven we hijgend zitten. Het duurde lang voor ik een verkenner durfde uitsturen. Die immers zou onze schuilplaats kunnen verraden.