Mijn vader had een groot respect voor het leger en uniformen. Als hij geen leraar Duits was droeg hij liefst een uniform. Voor de oorlog werd hij officier, erna diende hij in Batavia en Semarang bij de politionele acties. Herhalingsoefeningen waren hoogtepunten in zijn bestaan.
Toen ik ging studeren kreeg hij een baan als docent aan de Militaire Academie in Breda. Een stad met vele kleermakers 'voor burger en militair'. Officieren kregen immers een toelage om hun uniform op maat te laten maken.
Als ik een weekend thuiskwam hing de kapstok vol petten en zaten er generaals aan de jenever in de erker. Buiten liepen dienstplichtigen met hun plunjebalen naar het station. Ik had uitstel, maar hoe lang nog? Elk jaar werd ik opgeroepen voor herkeuring. Dat begon met doorlichten, 's ochtends om acht uur. Ik vroeg herkeuring aan op grond van psychische ongeschiktheid, S5. Dat lukte vele jaren.
Tot ik terecht kwam bij een dienstplichtige psycholoog op een vertimmerde zolder aan de Haagse Laan Copes van Cattenburgh die me doorzag. Mijn verhaal over een vaderconflict maakte geen indruk. 'Ik zit hier ook niet voor mijn lol,' zei hij. Maar hij had wel eens een stukje van me gelezen in een studentenblad. Tenslotte kwam het bericht 'Voorgoed ongeschikt wegens gebreken'.
Mijn vader zweeg.