Wind is onzichtbaar, je ziet alleen wat hij aanricht. Frans Kuipers schreef de bundel 'Alles waait' die veel oproept. Van Panta rhei, tot 'De wind dat hemels kind', uit Hans en Grietje. Dit gedicht is titelloos:
'Eens ging ik naar buiten om te zijn in het toeval van de straat.
Ik wilde mijn liefde verklaren aan de samenloop van omstandigheden.
Ik wilde de wind, aanjager en zaaier,
de wind in mijn haar, mijn voorbijgangerschap vieren.
Ik wilde het toeval, geheim van de ontmoeting,
dynamiek van de straat, duizend-en-een draaiende
raderen van avontuur en de ziel van het lied, mijn liefde verklaren.
En ooit zette ik mijn kraag op en liep gebogen dwars tegen het lot in.
'Maar dat kan helemaal niet, amigo,' zei de schaduw
maar ik had genoeg van schaduwen en alles wat kon en niet kon.
Ik beriep mij op Monk, Mingus, Durruti, Artaud,
op de ogen van zuigelingen, zo wijd opengesperd soms,
ogen waarin de wereld nog schreeuwend visioen was.
Op de stilte van een paar verloren ogenblikken beriep ik mij,
op de herinnering aan de stilte
van een paar verloren ogenblikken en op de trouw gezworen daaraan.'