Wolfgang Herrndorf en de dood

 Zoals Herrndorf in zijn dagboek (2010-2013) de onvoorstelbaarheid van de dood en de doden beschrijft, zo lees ik zijn verleden leven. Hij stief in 2013.

 '24 februari 2010. Heel fijne sneeuw. Het is een strijd. De hele afgelopen dag al. Ik wil dood, elk uur, alleen nog maar dood zijn. Ik ben het daarover met mezelf eens, een paar weken geleden al, toen was ik er nog niet zeker van of het een fase is, maar het lijkt erop dat het geen fase is, ik heb me er werkelijk in geschikt. Ik ben bereid, nu wacht ik tot me iemand afhaalt, en er komt niemand. Over een maand is de MRT-scan, ik hoop op een recidive, die me een reden zou geven. Ongeveer de helft van de dag. De andere helft functioneer ik normaal en werk.'

 'Wat me overeind houdt is het sociale. De eisen die voortkomen uit het wezen van de maatschappij, om je te gedragen, verstandig te zijn, aan tafel te zitten en de gesprekken te beluisteren, ook wanneer ze niet erg interessant zijn, terwijl je schreeuwend het graf in wil. Ik kijk wat de anderen doen en probeer het net zo te doen, ik denk aan Dürer, die dood is, waarom uitgerekend Dürer, ik weet het niet, aan een al 500 jaar dode schilder, die zijn badende vrouw heeft getekend, die tegenover haar zat en haar tekende, die met haar praatte, geen mens weet waarover, en ze waren gelukkig of ongelukkig, beschaamd of opgekikkerd, verliefd of onverschillig, gedurende een paar minuten of uren, waren eens reële wezens in een reële wereld, wat je je niet kan voorstellen. En de absurditeit maakt me gek.'

 'De onmogelijkheid je een niet zelf beleefd verleden voor te stellen, de onmogelijkheid je in een ander levend wezen in te denken, de onmogelijkheid je het niet-zijn voor te stellen.'