In de nacht van vrijdag op zaterdag 2 januari (2.00-7.00) mag ik bij Tom Klaassen in Woord vertellen over mijn vroege radiotijd, vaak met coach Peter Flik. Achteraf bekeken was wat wij deden een aanval op de vesting der Nederlandse Radio Unie met z’n streng gereglementeerde technische dienst die voor alle omroepen werkte. De studio’s die toebehoorden aan een ambtelijk apparaat voor heel Hilversum, met inboedel. Zelfs de asbakken hadden een inscriptie. Een programmamaker mocht nimmer aan de apparatuur komen.
Op zekere dag in mei 1967 werd ik door omstandigheden discjockey. De vrijzinnige dominees hadden ons programma stopgezet. Wat nu? ‘Dan moet jij maar platen draaien,’ zei Peter.
Maar hoe? ‘Niet zoals bij Veronica, gewoon zoals je het thuis ook doet als ik langskom.’ De eerste vrijdag zette Peter me op de stoel van de technicus in de controlekamer met een microfoon voor m’n neus, naast de platenspeler. De technicus van dienst was een vriend, die zweeg en een sigaretje rookte. Het raam stond open, je hoorde de ‘s Gravelandseweg. Wat we deden was een vloek in geluiddicht Hilversum, het bastion van gaatjesboard.
Ik rolde hoorbaar shagjes en liet de naald losjes in de groeven ploffen. De studiochef was er als de kippen bij. Dit kon absoluut niet. Maar we kwamen tot een compromis. Ik bleef uit de ‘technische ruimte’ maar mocht in de studio zitten als ik mijn eigen platenspeler meenam van huis, die dan met een speciaal gemaakt kabeltje in de apparatuur gestoken zou worden.
Ik mompelde, anders dan bij Veronica. En draaide geen hitsingles maar liefhebbers-elpees. De eerste uitzending bevatte vijf nummers van bluesman Elmore James.
Het moest Help heten zeiden de dominees, die ook van de Beatles hadden gehoord. Ik vond een oud plaatje van het orkest van Pee Wee Hunt dat ook zo heette. Waarin het orkest na elk refrein heel suffig in koor ‘Help’ riep. Dat werd mijn tune. In de Woord-nacht meer.