Zeeuws Geluk

 In haar nieuwe boek na het China van 'Selma' duikt Carolijn Visser diep Zeeland in. Te beginnen met haar eigen Zeeuwse jeugd, het dichten van het Veerse Gat, de eerste stap van de Deltawerken. En daarna fietst ze rond en praat met meest oude Zeeuwen en Zeeuwsen over hun land en leven.

 Ik weet iets, mijn familie van vaderskant waren Zeeuwen. Mijn grootvader, zoon van de bakker op Wolphaartsdijk was de eerste die eruit brak en Duits ging studeren in Groningen.

 Een melancholieke man. Halverwege zijn studie zat hij lang  depressief thuis en wandelde van de bakkerij over de Veerweg naar de dijk van het Veerse Meer, waar hij over het water staarde naar de plek op Noord-Beveland waar later Carolijn en haar moeder zouden staan. Ach, het silhouet van Veere.

 Mijn grootvader, die ook Wim heette kwam dan langs het enige stukje grond dat de familie nog in bezit had: twee meter breed en tweehonderd lang, na de vele erfenissen waarbij de grond eindeloos versplinterd was.

 Hij werd leraar en ouderling in Den Haag. We wandelden naar de stenen kikker in de vijver van het Gemeentemuseum. Nog hoor ik zijn onuitwisbare Zeeuwse accent: 'Kees de kikker zingt zijn lied, heel mooi zingen kan hij niet.' En nu pas begrijp ik dat hij zich herkende in die kikker.

 Zeeuws Geluk? De verhalen die Carolijn Visser rondfietsend door Zeeland optekende hebben dezelfde mengeling van vrede, pech en berusting tegen zeldzame achtergronden als het silhouet van Veere.