Zelf

 Het keerpunt in mijn leven kwam toen ik twaalf was, met mijn eerste bril. Het montuur was het standaardmodel voor jongens van toen, van boven iets bruiner, naar onder verlopend naar iets geler. Opeens kon ik in alle scherpte mezelf zien, een onbekende jongen zoals je er zo veel zag.

 Al viel niet te achterhalen, anders dan op oude foto's hoe ik er voor die tijd had uitgezien. Ik wist voorgoed hoe anderen me zagen. Zo erg was het dus. Vanaf dat moment bepaalde de bril mijn zelfgevoel. Spiegels ging ik mijden.

 Wat eraan vooraf was gegaan? Eerst het niet goed 'op het bord kunnen kijken', daarna de botsingen op het voetbalveld. Waarna de bril met gebroken glazen In twee stukken in het gras lag. En dan maar weer naar de brillenwinkel die het celluloid van de 'brug' met een verwarmingsapparaat weer aan elkaar kon smelten en nieuw glas inzetten. Zijn zaak lag op het hoekje naast de tramremise Lijster­besstraat.

Je hebt twee soorten mensen, die met bril en die zonder. De enige schrijver die er werk van heeft gemaakt is Remco Campert.

 In de loop der jaren werd gezocht naar oplossingen. De dubbeldikke monturen a la Roy Orbison kwamen en gingen. Lensjes kwamen en gingen.

 Zo werd ik een brildrager, op alle foto's, in alle winkelruiten. De straten zijn intussen ook volgeraakt met brillenwinkels. Waarom dat is weet ik niet.

Pas keek ik nog naar de grotere en kleinere letters. 'Rechts toch iets achteruit gegaan,' luidde het oordeel. En ja, weer een reuzenbedrag. Met korting, dat wel. Altijd korting.