Het huis waarin ik nu al dertig jaar woon deugt niet. Het is gebouwd in 1890 in de Amsterdamse wijk De Pijp en valt onder de 'revolutiebouw' waarmee het Amsterdamse stadscentrum toen werd omringd.Het moet dringend gesloopt worden en vervangen door nieuwbouw. Dat werd me al die jaren voorgehouden, vooral door de sociaal-democratische wethouders als Joop Den Uyl, Han Lammers en Roel de Wit. Dat ik hier graag woon interesseerde ze niet, zij wisten wat goed voor me was: licht en lucht.
Wat ze het meest ergerde aan mijn huis was de alkoof. De alkoof werd in het woondenken de steen des aanstoots. In alkoven stinkt het en god mag weten wat de mensen er uitspoken. 't Is er net als in de bedstede waar de alkoof van afstamt: duister.
Er woonden in 1900 heel veel meer mensen in deze huizen. Idioot veel. In halve woningen. Maar was dat een reden om zoveel jaren later hele wijken te slopen? Toch, als het aan Joop den Uyl had gelegen bestond de onhygiënische Pijp allang niet meer.
En ik? Ik blijf opknappen, en weet van pijpen en goten, heel leerzaam. De alkoof heb ik aan de achterzijde geopend. Ik slaap er nog steeds
Vrijdag komt Herman de Liagre Böhl op bezoek, schrijver van 'Amsterdam op de helling', een doorwrocht boek over de strijd om stadsvernieuwing.