Het Frans Hals Museum volgt de mode die door Rudi Fuchs werd ingezet, het laat schilderijen met elkaar praten. Zo zag ik 'Conversation Pieces III: John Currin ontmoet Cornelis van Haarlem'.
Na de bijval in kranten - van oa. Joost Zwagerman - toch wezen kijken naar de paar doeken van de fameuze Amerikaan Currin (1962) die het Frans Hals Museum als stuntje heeft opgehangen tussen Cornelis Corneliszoon van Haarlem en Maarten van Heemskerk.
Alle kunst is conceptueel. Berust op een idee. Over hoe en waarom iets in beeld te brengen. Currin wendde zich tot de klassieke Noord-Nederlandse renaissance. Met welk doel?
Je kunt proberen hun techniek na te volgen. Maar dan? Je zou toch een eigen idee moeten hebben, over vorm en inhoud. Maar Currin mist hun beheptheid met Ovidius en de bijbel.
Lijflijk, bijna grotesk schilderen als de manieristen kan hij niet. Als bij hem vervorming optreedt is het uit een onhandigheid die ook na veel poetsen bleef staan. Currin wordt geprezen om de satire in zijn werk. Ja, hij maakt grapjes. Maar wat in de krantenstukjes voor raffinement wordt gehouden lijkt eerder onhandigheid.