Thomas Rap (1)

Het was in 1966 dat ik bij de Studentenvakbeweging van Ton Regtien werd belast met het tekenen, ontwerpen en aanplakken van affiches. Hoe de - toen nieuwe, revolutionaire - offsetdruk werkte leerde ik bij de drukkers Posthuma Snabel in de Amsterdamse Oosterparkstraat. Na veel affiches wilden ze daar ook wel eens boekje maken in offset. Gewoon voor de aardigheid. Immers, alles kon, in fotodruk waren illustraties opeens net zo goedkoop als tekst. Dat gebeurde. Samen met Erik Verpaalen knipte, plakte en fotografeerde ik 'Hola-1, boek van het Nieuwe Denken'. Sampelen zou je nu noemen wat we deden.

Toen moest het boekje nog verspreid worden.
Het was toen Jaco Groot die een man kende die uitgever wilde worden. Hij had al een Cocktail & longdrinkboek uitgegeven en bezat een oude Volvo waarmee hij de boekhandels langsreed.
We maakten contact met deze Thomas Rap. En hij verspreidde Hola-1, wat goed lukte toen Simon Camiggelt er een stukje over had geschreven.  
Thomas is de enige Nederlander van wie ik drie tweedehandsauto's heb gekocht. Een grijze 2CV, een gele 2CV bestel en een rode Volvo met een gespleten voorruit, die later toch vier versnellingen bleek te hebben inplaats van de drie waarmee hij hem had verkocht. .
Hij werd uitgever. En zo, zo gaf hij ook boeken uit.
Tien jaar geleden stierf hij.
En op 27 juli as. verschijnt 'Thomas Rap. Een vrijbuiter in boeken' van Dirk-Jan Arensman. 

 

Doelbewust scheef

Arie Schippers stuurde foto en tekst::

doelbewust
wat moet je hier nou mee
de scheve horizon
een doek met het uitzicht geschilderd ervoor

Héloïse

Héloïse

Dit is Héloise Dielinge, een van de mensen die mijn schoonvader tot het laatst toe verzorgden en eraan bijdroegen dat hij thuis kon sterven. Dat gebeurde in september vorig jaar.Héloïse verzorgt liefst mannen. Bejaarde vrouwen zijn lastiger, meer bezig met netheid en het huishouden. Vanavond belde ze. En vertelde van een weduwnaar.Toen zijn vrouw gestorven was kon je hem geen groter plezier doen dan met hem naar de snackbar te gaan en daar samen een zak patat te eten.

Het verhaal deed me denken aan mijn grootvader, de ouderling.
Mijn grootvader, die ook Wim heette, droomde ervan ooit nog eens een glas bier te gaan drinken in het café schuin aan de overkant, in de deftige laan waar hij woonde.
Maar mijn grootmoeder vond dat een ouderling zich niet in een café kon vertonen.
Toen ze eenmaal gestorven was zeiden de mensen 'Wim, zou je nou niet eens...'.
Maar hij antwoordde 'Nee, het zou me niet meer smaken.'

 

Heizee

Morgen - dinsdagavond - van 19.00-22.00 in De Avonden de zomeravond met schrijfster Kitty Hooijer. Omdat ze er ooit rondliep als amateur-archeologe gingen we naar de hei en namen daar op. Nog steeds spiedt ze of iets in de bodem glimt, dat zou vuursteen kunnen zijn. Hier komen haar 'archeologische gedichten' vandaan. Sommige verschenen onder pseudoniem in De Revisor. 'Ik heb ze gemaakt omdat ik archeologie zo inspirerend vreemd vond. Ik verplaatste me dus - niet in de mensen want dat kan helemaal niet - maar in hoe het zo'n beetje was, vroeger. Ik wilde ook vaak vastleggen hoe ontzettend lang iets geleden is. En hoe dingen zich herhalen.' Het gaat over tijd?'Het gaat over tijd ja. Die dieptes die mij zo vrolijk maken. Tussen 1975 en 1990 heb ik de meeste gemaakt. En nu moet ik ermee ophouden. Ik moet over liefde ophouden en over de archeologie. Er is nog genoeg hoor, om over te dichten. Maar je moet soms een paar jaar wachten.'

Ze leest een van de allerlaatste, uit 1990. Historisch. Archeologen moesten een kerk slopen op de hei. En al gravend kwamen ze van alles tegen, eerst een kerk, toen nog een kerk, toen een middeleeuwse kapel. En daar weer onder een hunebed. Allemaal heilige plaatsen onder elkaar. Steeds van een ander geloof.
'Archeologen zijn kribbig hoor. Die houden helemaal niet van mensen. Die houden alleen maar van de asresten en van de beenderen van mensen. Maar niet van de levende amateur.'

Kerk op de heizee 

De muren om weer
De vloeren moet je slopen
Daaronder weer muren
En miniature armen en benen

Daaronder de zeskante kapel
Blauw van de hoop uit Mariagebeden
Daaronder het hakblok met goot
Voor alles wat at, ademde en wilde winnen van alles wat at

Nooit knielde de slachter
Nooit nam een god een beet van het offer.

'Het is deel uitmaken van een veel groter geheel?'
'Ja precies. Ik ben er ook van overtuigd dat mensen die die offers brachten er zelf helemaal niet in geloofden. Ik denk dat de slachter altijd een humanistisch, scherpdenkend iemand is geweest.'

Tags: 
Frederic Lord Leighton (1830-1896) - Flaming June (1895). doezel in mediterrane  junizon.
Edward Burne-Jones (1833-1898) - De Schone Slaapster (1871-1873). deel van drieluik.

Slaap

In het Haagse Gemeentemuseum zag ik vanmiddag de bescheiden tentoonstelling van Engelse Pre-Rafaelieten. Eerder deed het Van Goghmuseum er al twee keer wat mee. Rare lui, die midden 19de eeuw de 'academische' schilderkunst van toen wilden bestrijden met werk naar zulke vroege Italianen als Titiaan en Giorgione.

Fijnschilders waren het, die het nobele handwerk stelden boven het industriële massaproduct. 
En dat met onderwerpen die ze putten uit de Engelse literatuur, van King Arthur tot Shakespeare, Keats en Tennyson. Of sprookjes.
Wat je dan krijgt lijkt vaak nog het meest op wat wij kennen als Schoolplaten (Isings, Jetses). Edelkitsch, meestal. Maar  geschilderd naar de natuur, onder barre  weersomstandigheden.
Edward Burne-Jones was zo fanatiek met zijn laatste doek, 'De slaap van Koning Arthur' dat hij zichzelf als model nam en sliep in de zelfde houding als de koning.

Ze zouden overstemd worden. Allereerst door het Impressionisme.  Maar er zit iets in de mooiste stukken van de Pre-Rafaëlieten dat maakt dat ze altijd terugkeren. 
Ik hou het op 'slaap'. Geen schilderstroming waarin slapende - of dode - personages zo zijn afgebeeld.

ps. Opiaten waren in die tijd vrij bij de drogist verkrijgbaar.

het schaafijstentje aan het strand
'schemeren'

Megane

'Als je denkt dat je verdwaald bent nog 80 meter verder en dan ga je rechtsaf' staat op de kaartjes die pensionhouder Yoji tekent.Geen wonder dat weinig pensiongasten aankomen. Zo gaat het in de Japanse film Megane van Naoko Ogigami. Mevrouw professor Taeko lukt het. Ze arriveert met haar reuzenrolkoffer op het paradijselijke strand. Buiten bereik van haar mobieltje huurt ze een kamer.

En dan moet ze zien mee te komen met de vreemde zeden en gewoonten op dit eiland.
Het schaafijs van de oude mevrouw Sakura heb je maar lekker te vinden, en het gekke is, na aanvankelijke weerstand vindt iedereen het ook heerlijk.
De boodschap lijkt dat leven volgens rituelen de beste oplossing is. En zoals de filosoof Frits Staal al zei, rituelen betekenen niets, je moet ze alleen maar nauwgezet volgen 'for the sake of it'.
De eilandbewoners zwijgen, hullen zich in nietszeggende antwoorden of poëtische frasen die op nul uitkomen.   
De oceaan kijkt toe, in eeuwige ruis.
'Als je maar geduld hebt,' zegt Sakura. 
Waarom iedereen - eilandbewoners én bezoekers - in de film een bril draagt (Megane betekent bril), tja, geen idee. En zo is er meer. Ernst en ironie blijken steeds weer onontwarbaar verstrengeld.

Wonderen van het Heelal (1)

Vandaag kreeg ik uit erfenis het tweedelige 'Wonderen van het Heelal' terug. Eens stond het bij mijn ouders in de kast. Het kwam van mijn grootvader, de zeekapitein bij de Holland-Amerikalijn die mijn moeder als meisje uitlegde hoe stormen nu eigenlijk ontstonden. Een exacte geest. Hij stierf toen ik drie was.In de 'Wonderen van het Heelal' (Sijthoff, 1923) leefde hij voort.Ondertitel, zie ik nu: '...merkwaardigheden uit het dieren- en plantenrijk en van het heelal in het algemeen, verklaard door de voornaamste deskundigen (2 delen).' Avonden lang heb ik gebogen gezeten over deze prenten. Maar mijn ouders verhuisden veel en de Wonderen verdwenen.

De eerstvolgende keer dat de 'Wonderen' mijn pad kruisten was in december 1994 bij W.F.Hermans in de Brusselse Atrebatenstraat. Ik mocht langskomen voor een interview over de opnamen die we hadden gemaakt van zijn boek 'De God Denkbaar, Denkbaar, de God'.
We stonden voor zijn boekenkast en daar zag ik opeens de ruggen.
'Goh, meneer Hermans, De Wonderen van het Heelal'.
'Kent u die?'
En ik vertelde hem van mijn avonden bij lamplicht, van de 'radiolarieën' die ik steeds weer opsloeg, van de kleurplaat van de Kanalen op Mars die professor Lowell daar meende te zien.
En toen bleek dat Hermans vrijwel de zelfde ervaring had gehad met de Wonderen. Het ijs was gebroken. 
En nu, heb ik de Wonderen terug.
En alles staat erin. Nog steeds.    

ps. Ook de 'pecten', het 'gidsfossiel' uit De God Denkbaar komt voor in de Wonderen.  

interieur van de Brandenburger Dom (even buiten de stad, aan de rivier de Havel).
de bekering van Paulus. Christus (rechts) strooit het licht uit.

Brandenburg

Wat is er toch met vallende paarden? Het mag niet. Wat het ene moment nog - een en al sierlijkheid - door de lucht suist, verandert in een oogwenk in iets onzegbaar jammerlijks.Paarden kunnen niet vallen. Waarom niet? Leren ze het niet van hun ouders? Je moet er als paard toch vanuit gaan dan je regelmatig onderuit zult gaan, maar nee. Een valpartij eindigt altijd met vreselijk gezichtsverlies (een paard heeft geen kop maar een hoofd, met een gezicht). En nogal eens met afmaken. Misschien is het pure schaamte.

De Domkerk die bij het klooster (Stift) van het stadje Brandenburg hoort, een schatkamer. Wat er eeuwenlang bewaard en verzameld werd is er nog. Kleurige plafondschilderingen, geestige houten beeldjes, veel panelen ook. Zoals dit, dat hoort in het 'Bohemer altaar': de val en bekering van de apostel Paulus, die wordt veroorzaakt door het felle licht dat de plotselinge aanwezigheid van Christus met zich meebrengt. 
Paulus en zijn metgezellen vallen van hun paarden, voor de poorten van Damascus. Mensen en paarden vallen.
In de bijbel staat dit niet.    
De schildering van mens en paard is - volgens het Brandenburgs archief - voltooid op 12 april 1375 door meester Nicolaus 'tabernaculi'.

avond in Wittenberge
het uithangbord
gesloten huis, poort voor paardenwagens

Smid

Paul Malessa, zo heette een smid - Schmiedemeister - in Wittenberge aan de Elbe, Brandenburg. Te oordelen naar zijn huis was hij een welvarende smid. Maar het huis is gesloten. Of het te koop staat is niet te zien. In deze stad staat veel leeg zonder kans. Steeds loop ik hier te raden naar mensen en omstandigheden die lang verdwenen zijn.

Het was een fabrieksstadje, rond 1900 bloeiend, de woningen van directeuren en hoger personeel zijn versierd met stenen engeltjes en ornamentiek. Dure winkels waren er ook. Er is nog veel van te zien.
De meestersmid Paul Malessa moet al vele jaren dood zijn. Het uithangbord vermeldt z'n naam als Malesza, hij was denkelijkl van Poolse komaf.
Een chic uithangbord, open vorm, waarin smidssymbolen als de hamer, het vuur, en zelfs een tandrad zijn weergegeven. Een beetje hamer-en-sikkel stijl, in de DDR-tijd wel zo opportuun.  Verderop hangt ook een hoefijzer.
Maar wat moeten die negen zonnebloemen in de gevel?

1.
2.
3.
4.

Kwijt

Roel Idema schrijft: 'Een tijd lang heb ik ook foto's gemaakt van "kwijte spullen", zoals ik ze noem. Etymologie, verklaring van de oorsprong van woorden en woordgeschiedenis, is wonderlijk en vol vreugde. Zag ik in een paar dagen op verschillende plekken - bij een benzinestation, aan een verkeersbord geprikt, in een weiland - losse schoenen in meer of minder staat van ontbinding. Zocht naar een geschikte verzameltitel.

Verloren? Zoek? Weg? Eenzaam? Allemaal afgekeurd.
Toch waren al die schoenen kwijtgeraakt. 
Kwijt. Dat klinkt alvast goed.

De eerste observatie over een gemeenschappelijke grondslag van moderne (en van dode) Europese en Indiase talen dateert al van het eind van de achttiende eeuw. Honderd jaar later - rond 1880 - zagen de eerste proeven van die gereconstrueerde oertaal, het Indo-Europees, een wetenschappelijk licht. De jongste decennia hebben linguïstieke inzichten geresulteerd in verfijning en uitdijende reconstructie van het Proto Indo Europees.
Meestal wordt een stamwoord onderscheiden, en kan het huidig woord tot daar herleid. 

In het Nederlands klinkt de stam als "kwei". Die stam betekent zoveel als rusten, stil liggen. Aha!
De stam vond zijn weg naar het Latijn. In Rome zullen ze gezegd hebben "quietus" en uitdrukken 'rustig, vrij van'. Van Italië naar Frankrijk: quitte zijn: niet schuldig, ja, vrij van. Zo werkt zo'n klank zich een weg naar het noorden en naar het westen, om in de lagen landen het huidig kwijt te geven: vrij, verloren hebbend.
Een schoen bijvoorbeeld. En aan de overzijde van de Noordzee? Juist: "quiet", het engelse rustig, maar ook quit, weggaan.'

foto's: Roel Idema

Pagina's