In een Haags krantje dat 'Indebuurt' heet vertelt Joyce Hoogland hoe het komt dat er in Den Haag kofffietenten zijn en in andere steden niet. Houten, bouwkeetachtige, kapsonesloze gelegenheden waar je behalve een bak pleur ook een frikandel of een kroket kunt krijgen. En friet.
Ze staan vaak op onverwachte plekken als een middenberm. Overal in de stad. Ook naast het Gemeentemuseum.
Je kunt er om zes uur in de ochtend al terecht. Je ziet er dan werklui die op weg naar hun klus nog even iets meepakken en de Telegraaf inkijken. Veel geparkeerde busjes van bedrijven.
Vroeger, vertelt 'Indebuurt' kregen ze in de kroeg hun salaris uitbetaald, waarna het opging aan drank. De Bond tegen Alcoholmisbruik richtte daarom alcoholvrije koffietentjes op en de arbeiders kregen daar hun loon. De koffie kostte maar een paar cent, dus het meeste salaris ging dan wel mee naar huis. Je brood kon je er tussen de middag ook opeten.
Mijn favoriet is gesloten die lag aan de Pompstationsweg – zie ‘Niemand bleef’ van Alfred Birney - achter de Van Alkemadelaan, waar vroeger het treintje naar Scheveningen reed. Maar minstens zo mooi is ‘De Boshut’ aan de Badhuisweg. Honden, kroketten, wat je maar wil.